De Noordzee is een ondiepe zee, rijk aan voedsel. Honderdduizenden zeevogels zijn hier in de zomer of winter te gast. Zeevogels zijn helemaal afhankelijk van de zee. Ze halen er hun eten en ze zijn een groot deel van de tijd op, boven of in de zee. Het is voor deze dieren dan ook heel belangrijk dat de zee schoon is en dat er voldoende eten voor ze te vinden is.

Lange broedperiode

De meeste zeevogels broeden in kolonies, met hun nesten dicht bij elkaar. Zo kunnen ze elkaar met veel gekrijs waarschuwen voor een vijand. Ze moeten vaak lange tochten maken om aan voedsel voor de kleintjes te komen. En soms kunnen ze dagenlang niet jagen omdat het stormt. Daarom leggen ze vaak maar één groot ei. Het grootbrengen van een kuiken duurt bij zeevogels veel langer dan bij andere vogelsoorten.

Nooit koude poten

Zeevogels beschermen hun lichaam tegen de kou met een extreem waterdicht verenpak en een dikke onderhuidse speklaag. Hun poten voelen geen kou. Ze rusten uit op het wateroppervlak, ronddobberend met hun kop tussen de veren. Hun maaltijd bestaat uit vis en andere zeedieren. En wat voor de meeste vogels onmogelijk is: ze drinken zeewater.

Oscar_Bos_fulmar_Fulmarus_glacialis_Noordse_stormvogel-2
Beeld door: Oscar Bos

De noordse stormvogel op deze foto kijkt de fotograaf een beetje grappig aan. Als je vluchtig kijkt, lijkt het net alsof er een klein brilletje op zijn snavel rust. Hij lijkt misschien net een meeuw, maar is een stormvogel. Dat is dan ook waar je de noordse stormvogel het makkelijkst aan kan herkennen: hij is ‘buissnavelig’ en heeft een dikke snavel met opvallende neusbuisjes.

En een echte zeevogel, dus je zult ‘m niet zo vaak boven land zien. Maar de volgende keer dat je in de herfst of winter uitwaait terwijl er een flinke noordwesten wind waait, vliegt er misschien wel een ‘meeuw’ zonder zwarte vleugelpunten voorbij. De noordse stormvogel komt alleen aan wal om zijn jongen groot te brengen, maar wordt door zo’n storm naar de kust geblazen. Hieraan dankt de noordse stormvogel ook zijn naam: het is de vogel die je ziet bij storm uit het noorden.

Het kan niet anders: wie op zee leeft, krijgt veel zout binnen. Bij mensen en de meeste andere dieren wordt zout door de nieren uit het bloed gehaald en daarna uitgeplast. Maar zeevogels hebben achter hun ogen een speciale zoutklier. Vanaf die klier lopen twee buisjes naar de neusgaten en zo verlaat het zout, opgelost in water, hun lichaam. Daarom hangt er vaak een druppel aan hun snavel en schudden ze af en toe met hun kop om van die druppels af te komen. Ook sproeit de stormvogel een olieachtige maagsubstantie uit z’n neusbuisjes om vijanden mee af te schrikken. ⠀

Lees hier meer over de noordse stormvogel en volg Stichting De Noordzee op Instagram voor meer mooie verhalen over het Noordzeeleven.

Alcatraz (Morus bassanus)
Alcatraz (Morus bassanus)

Vlak voor de Schotse oostkust steekt een klein gevangeniseiland steil en trots boven zee uit. Het is ontstaan uit een vulkaan en zou dus eigenlijk zwart moeten zijn. Maar als je er in het voorjaar naartoe vaart is de bovenkant van het eiland helemaal wit. Dichterbij gekomen zie je dat dat komt door de duizenden jan-van-genten die op het eiland broeden. De jan-van-gent is een prachtige vogel en makkelijk te herkennen: een wit lichaam met zwarte vleugelpunten, blauwe ogen, een gelige kop en een vleugelspanwijdte tot bijna twee meter.

Helaas is de Nederlandse kust niet rotsachtig, dus broedende jan-van-genten zul je hier niet zien. De dichtstbijzijnde kolonie zit op Helgoland, ten noordoosten van onze Waddeneilanden. Een aanzienlijk deel van alle jan-van-genten van de wereld broedt op de Schotse eilanden en gebruikt de Noordzee als jachtgebied. En een klein deel komt in het voor- en najaar ook voor onze kust jagen.

De jan-van-gent vliegt én jaagt karakteristiek: met spectaculaire duikvluchten vanaf dertig tot veertig meter hoogte halen ze vissen zoals haring en makreel uit het water. Met hun vleugels in een V-vorm naar achteren gevouwen en hun kop loodrecht naar beneden, snijden ze met een snelheid van ongeveer honderd kilometer per uur door het wateroppervlak. Net voordat ze het water raken, vouwen ze hun vleugels in. Daarna gaat de jacht onder water verder. Net als bij roofvogels staan hun ogen naar voren. Zo kunnen ze met beide ogen tegelijk zien en de afstand tot hun prooi goed inschatten. Jan-van-genten hebben extra dikke schedels die hen beschermen tegen de immense klap op het water.

Lees hier en hier meer over de jan-van-gent en volg Stichting De Noordzee op Instagram voor meer mooie verhalen over het Noordzeeleven.

common murre is swimming in the ocean sunny summer day
Beeld door: pilipenkoD

Zeekoeten zijn echte zeevogels. Het hele jaar, behalve in de broedtijd, leven ze op volle zee. Daar jagen ze tot wel honderd meter diep, op kleine vissoorten zoals haring, sprot en zandspiering. Van alle zeevogels komt de zeekoet het meest voor op de Noordzee. Omdat hij ver uit de kust blijft zul je hem alleen niet snel zien. De beste kans maak je in het voor- en najaar als ze vlak boven de golven voorbij trekken, van en naar hun broedgebied.

Zoals bij de meeste duikende vogels staan de poten van een zeekoet ver naar achteren. Daardoor kan hij aan land alleen rechtop staan. Met zijn gedrongen korte lichaam, zwarte bovendelen en witte buik, lijkt hij dan net een pinguïn. Net als pinguïns zijn zeekoeten niet zulke vliegers, maar wel behendige zwemmers. Ze gebruiken hun vrij kleine vleugels als peddels, en hun uitgespreide zwemvoeten als roer. Bij het vliegen maken ze met hun kleine vleugels een snorrend geluid. Wat bijzonder is, is dat een zeekoet niet alleen op zijn tenen staat, zoals de meeste vogels, maar ook op het stukje poot daarboven, het loopbeen. Daardoor lijken zijn voeten erg groot en gaat lopen wat moeilijk. Maar het staat wel lekker stevig. Dat is ook nodig, want een zeekoet broedt in dichte kolonies op hele smalle richels van afgelegen rotsen en kliffen. Daar is hij veilig voor vijanden vanaf het land, zoals vossen.

In april trekken zeekoeten naar hun broedkolonies. Ze bouwen geen nest, maar leggen hun ene ei op een kale rotsrichel. De extra dikke eischaal voorkomt dat het breekt. Daarnaast is het ei aan één kant heel puntig. In plaats van weg te rollen draait het in een kleine cirkel in het rond. Een perfecte uitrusting voor de smalle richel.