Zeevogels leggen in korte tijd grote afstanden af

Waar zeevogels leven wordt sterk bepaald door waar ze hun voedsel kunnen vinden, de ligging van hun broedplaatsen en het samenkomen van water met verschillende eigenschappen (zoals temperatuur en hoeveelheid zout: dit noemen we ook wel verschillende watermassa’s). Zeevogels zoeken het beste voedsel in een gebied van honderden kilometers en migreren over grote afstanden. Zo vliegen kleine mantelmeeuwen helemaal naar Noord-Afrika (Figuur 1). De noordse stern is de koning van de migratie: deze vogel kan in een jaar tijd wel 90.000 kilometer vliegen, van zijn broedgebieden in het noorden helemaal naar Antarctica.

Dit zijn de drie belangrijkste watermassa’s voor zeevogels:

  1. Het heldere en relatief zoute oceaanwater dat langs de Schotse Shetlandeilanden in het noorden de Noordzee binnenstroomt. Omdat de zon hier in de zomer de bovenlaag van de zee opwarmt, ontstaat er horizontale stratificatie: een harde scheiding tussen het koude bodemwater en de warmere oppervlakte. Dit heeft gevolgen voor hoe zuurstof- en voedingsstoffen in het water verdeeld zijn, wat het voedselaanbod beïnvloedt.
  2. Het meer troebele, minder zoute water in de Zuidelijke en Duitse Bocht (van de Belgische en Engelse kust tot aan Denemarken), dat beïnvloed wordt door zoet rivierwater vanuit de Theems, de Schelde, de Rijn, de IJssel en de Duitse grote rivieren. Omdat het hier relatief ondiep is ontstaat juist geen gelaagdheid, maar blijft deze watermassa het hele jaar gemengd. Dit heeft een positief effect op de voedselproductie in het water, en dus op de beschikbaarheid van voedsel voor vogels.
  3. De diepere wateren onder Noorwegen: het Noorse Diep. Op de overgang tussen het troebele water uit de zuidelijke Noordzee en het diepere oceaanwater in het noorden liggen abrupte overgangen. Deze zogenoemde fronten zijn te vinden vanaf de kust ter hoogte van Aberdeen in Schotland tot aan het Friese Front boven de Nederlandse Waddeneilanden. Rondom deze fronten vinden veel zeevogels hun voedsel.

Waar legt een zeevogel haar ei?

Naast watermassa’s zijn broedplaatsen van groot belang voor de verspreiding van zeevogels. Je kunt zeevogels onderverdelen in zogenaamde klifbroeders en grondbroeders.

  1. Veel zeevogelsoorten broeden op steile klifkusten. Onze klifbroeders, zoals zeekoeten, alken, noordse stormvogels en drieteenmeeuwen leven voornamelijk bij de rotskusten in het Verenigd Koninkrijk en in mindere mate in Noorwegen. Zodoende broeden ze in de nabijheid van het heldere water rond de bovengenoemde fronten.
  2. Grondbroeders komen veel voor in België, Nederland, Duitsland en Denemarken.
    Veel grondbroeders, zoals overwinterende zee-eenden en zeeduikers, verblijven graag in het ondiepe en troebele kustwater in het zuidoosten van de Noordzee. Veel grondbroeders, zoals overwinterende zee-eenden en zeeduikers, verblijven graag in het ondiepe en troebele kustwater in het zuidoosten van de Noordzee.

Klif- en grondbroeders die in vaste kolonies broeden, kunnen hun broedplaats niet zomaar verplaatsen. Plotselinge veranderingen in het voedselaanbod rondom hun broedplaats, bijvoorbeeld door veranderende zeestromingen als gevolg van klimaatverandering, kunnen zodoende tot problemen leiden.

Welke invloed heeft de mens?

De mens heeft het leven van zeevogels altijd sterk beïnvloed. Tot zo’n honderd jaar geleden stonden zo goed als alle zeevogelpopulaties nog sterk onder druk door jacht en het rapen van eieren voor menselijke consumptie. Na de industriële revolutie kwamen zeevogels vooral in de problemen door de vervuiling van de Noordzee met olie en giftige chemicaliën. In 1999 werd het lozen van dergelijke stoffen echter streng verboden en is de hoeveelheid van dergelijke stoffen in de Noordzee enorm gedaald.

Maar de invloed van de mens kan voor zeevogels ook minder negatief uitpakken. Zo leidde het vangen van grote roofvissen zoals haaien, roggen en tonijnen tot een toename van kleine vissen. Hierdoor was er extra veel voedsel voor bijvoorbeeld de jan-van-gent, de drieteenmeeuw en de meeste soorten alken. Deze zeevogels namen daardoor in de 20e eeuw sterk in aantal toe. Daarnaast profiteerden de jan-van-gent, de noordse stormvogel en vrijwel alle soorten meeuwen van het teruggooien van bijvangst door de visserijsector. Mensen beïnvloeden dus op verschillende manieren de grootte van populaties zeevogels, met als gevolg dat sommige populaties nu groter, en andere kleiner zijn dan zonder invloed van de mens.

Wat betekenen windmolens voor de zeevogels?

Ook nu blijven er door de mens veranderingen plaatsvinden in de Noordzee die het leven van zeevogels beïnvloeden. Naar verwachting staan er in 2030 zo’n 1400 windmolens in de Nederlandse Noordzee en in 2050, volgens de meest extreme voorspellingen, misschien wel 7500 (zo’n 25% van de Nederlandse Noordzee). Ook Duitsland, Engeland en Denemarken gaan grote windparken aanleggen.

De invloed van windmolens op vogels verschilt sterk per vogelsoort. Zeeduikers vliegen meestal op hoge snelheid op tientallen meters hoogte. Daardoor zijn ze bijzonder kwetsbaar voor aanvaringen met wieken. Veel vogels, zoals jan-van-genten en zee-eenden, vermijden windparken. Daardoor neemt de omvang van voedselgebieden die voor hen geschikt zijn af (Figuur 2). Aalscholvers profiteren juist van de rustplekken en het verhoogde voedselaanbod in windparken.

Vogels_Fig2_Vogelvluchten-2-2
Figuur 2. Westelijke vliegpatronen van migrerende watervogels rondom een net geïnstalleerd windpark (rode punten geven turbines weer) voor de kust van Denemarken. Het is duidelijk dat veel vogels het windpark ontwijken. Bron: Desholm, M. (2006). Wind farm related mortality among avian migrants – a remote sensing study and model analysis. PhD Thesis. Beeld door: National Environmental Research Institute & University of Copenhagen.

Het aantal slachtoffers is sterk afhankelijk van de locatie van windmolens, blijkt uit modellen die de effecten van windparken op zee beschrijven. De huidige windparken op zee leiden volgens deze modellen wel tot aanvaringsslachtoffers, maar bedreigen het voortbestaan van de populaties niet. De effecten van grootschalige windparken op zee zijn nog lastig in te schatten. Omdat het voortbestaan van beschermde populaties mogelijk op het spel staat, is het daarom belangrijk om veldonderzoek te blijven doen en de modellen te blijven bijstellen en toetsen aan de werkelijkheid.

In de toekomst moet blijken of inderdaad vijfentwintig procent van de Nederlandse Noordzee met windparken zouden kunnen vullen zonder daarmee vogelpopulaties te veel onder druk te zetten. Er is op dit moment ook nog weinig bekend over de indirecte invloeden van de windmolens op zeevogels. Zo worden fronten en stratificatie bijvoorbeeld mogelijk beïnvloed door windmolenparken, en die hebben op hun beurt weer grote invloed op zeevogels.

Onderzoek nodig op populatieniveau

Menselijke activiteiten hebben al eeuwen invloed op zeevogels en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Het is belangrijk om de bijbehorende effecten niet alleen op individuele zeevogels te onderzoeken, maar ook op populatieniveau. Waar leven de meeste individuen, wat is hun gedrag en wat is de menselijk impact hierop? Met die informatie kunnen we populaties beschermen. Zeevogels trekken zich niets aan van landgrenzen, dus het is van belang dat dit onderzoek betrekking heeft op de héle Noordzee, niet alleen het Nederlandse deel ervan.

De Noordzee staat aan de vooravond van ingrijpende veranderingen. Dit is het moment om met de juiste kennis duurzaam gebruik te waarborgen. Alleen dan kan met toename van menselijk gebruik de Noordzeenatuur zich ontwikkelen tot een gezonder ecosysteem.